Hein Vera wrote:
> Beste mensen,
>
> Ik kan niet in het WNT, wie heeft wel toegang en wil eens kijken.
>
> Ik ben op zoek naar het woord cronen, ghecroent(1386), het slaat
> vermoedelijk op een bepaalde jacht (dus niet van bekreunen, klagen of
> mauwen(neurien).
>
> dank en vr.gr. Hein Vera
WNT:
KRONEN, bedr. zw. ww. Mnl. cronen. Van Kroon. Verg. ohd. coronôn, mhd.
kronen; daarnaast mhd. nhd. krönen; voorts fr. couronner, lat. coronare.
Het gebruik van kronen sluit zich aan bij dat van kroon. Evenmin als bij
dat woord, kan ook hier altijd met zekerheid worden uitgemaakt, in welke
bet. het bedoeld is; inzonderheid is dat het geval bij 't fig. gebruik.
1) Iemand (of iets) eene kroon (in de bet. 1) opzetten. || De heilige
vader ... kroonde hem (Karel den Grooten) met den keizerlijken
hoofdband, DAVID, Hist. 3, 288. Met de oude plechtigheden ... werd hij
.... tot Keizer van het Oosten gekroond, BLOK, Gesch. v. h. Ned. Volk 1,
174.
— Bij uitbreiding, terwijl de voorstelling van 't opzetten eener kroon
verflauwt of zelfs geheel verdwijnt, voor: iemand de vorstelijke
waardigheid verleenen, hem koning (enz. ) maken. || In 't zelve jaer
kroonden de oproerige Strelsen Iwan Alexewits, DE BRUYN, Reizen 2, 45 a.
Die de Vorst in 't spel wil vertoonen, Moet vrouwen gebieden, en niet
boven hem kroonen, V. HALMAEL, Schynh. 34. Cezar ... kroont de koningen,
of stootze van de troonen, LANGENDIJK 2, 19. Karel, de broeder des
konings van Frankrijk, werd als koning van Sicilië gekroond, CONSC. 4,
242 b. Deze werd tot keizer gekroond, 4, 296 b.
2) Bekransen; vaak als eerbetoon wegens een behaalde overwinning enz.
Verg. hetgeen bij Kroon gezegd is omtrent het gebruik van dat znw. in
den zin van krans. Ook in fig. verband; zie verder bij 3). || Indien
oock yemant strijt, die en wort niet gekroont, Soo hy enz. , 2 Tim. 2,
5. Van blijschap heeft maetroos het achterschip gekroont, VONDEL 8, 376
(verg. VONDEL 5, 216: „met kranssen behangen”). De nimfen kroonen zich
met frissche bloemenkranssen, FEITAMA, Telem. 388. Wanneer een goede
vorst ... zyn hoofd met lauwren kroonde, WILLEMS, Nalat. 47. Ik was met
bloemen gekroond, CONSC. 2, 253 a. Hij wilde de kleuren der geliefde
jonkvrouw ... dragen ... en door haar worden gekroond na jarenlangen
strijd, TEN BRINK, Rom. 4, 132.
— Bij uitbreiding voor: versieren. Hier en daar in Z.-Nederl. || Als de
pastoor ingehaald is, waren al de huizen gekroond, JOOS.
3) Fig. — a) Met een persoon als object. Eeren, onderscheiden, den
voorrang geven, verheerlijken, prijzen. Verg. Kroon, 6) en hetgeen
daarbij gezegd is. || Verdrinck icxse die my in haer herte es croonende
En behou ick dien ick niet en ben behaghende, Zoe enz. , in Leuv. Bijdr.
4, 291. Hem, die uw' wil met vreugde doet, Zult G' ook met vreugde
kroonen, Ev. Gez. 4, 7. Duur gekocht (zal zijn) de zege om 't even wien
zij kroon! MEYER, Heemsk. 177 [1848].
— Iemand kronen met iets, hem als 't ware die zaak als eene kroon op 't
hoofd plaatsen, hem er mee onderscheiden, hem die (eervolle of
gewenschte) zaak schenken. || Ghy syt ... die de herten der armer
schapen ... levendich om den name Jesu Christi uuten lyve snyden, met
basten croonen, ... met raden ende galghen vereeren, bij FREDERICQ,
Pamfl. 37 (aº. 1568). Wy sien Jesum met heerlickheyt ende eere gekroont,
Hebr. 2, 9. Gelyk de Poëzy ... kracht heeft om ... met onsterffelyke
eere te kroonen, of met een onuitwisbaar smaadtteeken te brandtmerken,
BRANDT, Lev. v. Vondel 3. Dat Zij ... Mij kroonde met haar gunst!
STARING 2, 137. Lief Moedertje, ... God krone u ... Met al wat uw vreugd
kan verhoogen! BEETS 3, 305 (zie ook Psalmber. 15, 1).
— Soms in nog duidelijker beeldspraak met iemands hoofd als object. ||
Den lang verbeiden dag ..., Die 't hoofd hem kronen zal met eer, TER
HAAR, L. Ged. 4.
b) Met eene zaak als object. Eeren, verheerlijken, prijzen, eervol
maken, luister bijzetten, enz. Ook met de zaak die als eene kroon op
iets wordt voorgesteld, tot subject. || Dat God kroont ende beloondt syn
eyghen gaue in ons, GNAPHEUS, Tob. 38. D'uitkomst kroont of brandmerkt
de werken, VALENTIJN, Ovid. 1, 6. Ziet ... Myn hand uw vriendschap
daag'lyks kroonen, En bloemen strooyen op uw zerk! V. HAREN, Geuzen
(1ste uitg.) 131. Eisch niet dat mijn stramme hand Uw' feestdisch mee
zal kronen, BILD. 11, 30. Geluk kon zulken echt niet kroonen! STARING 2,
69. De Hemelvorst (werd) vergeten of gehoond: En ... 't verfoeilijkst
kwaad gekroond, V. LENNEP, Poët. 7, 88.
— Kronen met iets, met iets dat tot sieraad strekt, met een eervolle of
gewenschte zaak begiftigen. || Gy hebt mijn Landen met Neeringe en
welvaert ghekroont, Vlaerd. Redenr.-bergh 84. Ik heb vergramd, die deugd
met zegen kroont (t. w. God), BAKE, Byb. Gez. 15. Om deugd, om adel der
ziel, om al het groote en al het beminnelijke, waarmede God de
uitgelezenste der stervelingen begaafd heeft, door mijne redenen ... met
eer en luister te kroonen, V. D. PALM, Red. 4, 104. Zijn (Gods) geest
...., Die 't zwakke met genade kroont, TEN KATE 6, 109.
— Soms zooveel als: beloonen. || Ik werk voor haar ..., die eens mijn
ijver kroont, V. LENNEP, Poët. 5, 40.
— Ook in den zin van: iets de kroon opzetten; zie KROON, 7, c); en
vandaar soms zooveel als: vervullen. || Kroon, goede God! vervul de
hoop, TOLLENS 11, 32 (zie ook LEDEGANCK 164; DE CORT, Lied. 73). Paris
durft zijn' gloed door 't snoodst vermeten kronen? Vr. BILD. 1, 98. Zoo
't eind mijn opzet kroont, V. LENNEP, Poët. 5, 195. O Aarde! ... die
bestemd schijnt om het scheppingswerk te kroonen, TEN KATE, Par. Verl.
209.
4) In een andere fig. toepassing. Het bovendeel, den bovenkant van iets
bedekken, overdekken (enz. ), t. w. met iets dat bij eene kroon wordt
vergeleken; iets dat op eene kroon gelijkt plaatsen (enz. ) op —. Ook
met de zaak die als eene kroon wordt voorgesteld tot subject. || Men ...
kroont den Aemstel, met ghewelleft metselwerck, HOOFT, Ged. 2, 267. 't
Hoofd te kroonen met sieraaden, LUYKEN, Bykorf 227. Wanneer ... de
ouderdom uw hoofd met zilvren haren kroont, HELMERS, Nag. Ged. 1, 201.
De zon ... kroont ... nog den hoogen top der duinen ... met purper en
met goud, LULOFS, Ged. 139. De zilverwitte haren, die zoo vroeg reeds
zijnen schedel kroonden, CONSC. 1, 1 b. Niet alle gothische kerken is
het gegeven, een heuveltop te kroonen, BUSKEN HUET, Rub. 298.
— In toepassing op slaan op 't hoofd. || Met mynen toffel ick u bijnae
croone, bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 2, 20. Hou handen van de banck, of ick
selje soo kroonen Met dese tinne-schotel, dat enz. , DE MOL, Bedr.
Lichtm. 8.
— In toepassing op het „opzetten van horens”, het bedriegen van den
echtgenoot. Verg. een overeenkomstig gebruik van kroon bij dat woord
onder 9, a), en voor 't Ndd. en Hd. D. Wtb. 5, 2378, 2385. || 't Ging
hiel wel; Indienme maar dat booze vel Niet kroont. O kon ik ze iens
betrappen! Maar wat zou 't wezen? 'k zou 't gaen klappen; En dan zou elk
ien weten, dat Geen eerlijk man graag wist, noch had, PELS, Julfus 9. Al
hebtge ... self den blixemdrigh gekroont tot hoorendrager, VONDEL 2, 397
[1625]. Dat hy 'er menig ... heeft gekroond Met Acteons hoofd-cieraden
(horens), Gew. Weuwenaar 3, 7. Wat weet men of ... hy (niet), door 't
wijfjen fraai gekroond, Een schaamrood bullenhoofd (had) getoond, BILD.
13, 187.
Aanm. In navolging van fr. se couronner wordt in Z.-Nederl. (een enkele
maal ook in N.-Nederl. in naar 't Fr. gevolgde geschriften) kronen van
boomen gebruikt voor: achteruitgaan, in 't bijzonder van vruchtboomen:
overmatig vele maar gewoonlijk kleine vruchten dragen (wat een teeken
van achteruitgang is). || Een boom, die begint te kroonen, d. i. dat
meerdere takken aan den top afsterven, Vriend v. d. Landm. 9, 626. De
ondervinding leert dat, indien men hem (t. w. zekeren „grondregel” bij
het snoeien) toepast op ... twijgen ... die wij eerder als vruchttwijgen
aanzien, de uitslag verkeerd is en deze laatste zich op vrucht zetten
(kroonen), in plaats van zich te versterken, V. HULLE, in Bijbl. t. d.
Landb.-Cour. 1868, 307.
Afl. Kroning (zie ald. ). — Verder: Kroonlijk, kronende; ongewoon en
verouderd („Niet dan de deucht en wert ghij (God) dan croonlijc”, A.
BIJNS 398).
Samenst. Kroonfeest („Van daer de gantse KroonFeest in Maaltijden
geeyndigt wierdt”, Holl. Merc. 1654, 76 a; zie ook V. ZEGGELEN 1, 52).
Groeten,
Richard
--
Richard van Schaik
f.m.a.vanschaikREMOVE@[EMAIL PROTECTED]


|